Ik doe niet meer mee


Ik zei dus, dat ik niet tegen literaire prijzen ben. Zeker niet tegen literaire prijzen van een zo hoog geldbedrag dat ik me er, na afbetaling van schulden, enige tijd financieel drijvende mee kan houden.
Mijn schrijverij is geen vetpot en tot op de huidige dag is het grootste deel van mijn literaire leven bekostigd door de Nederlandse belastingbetaler via subsidieverlenende instellingen. Om zo'n subsidie mag ik ieder jaar nederig smeken, waarbij ik me dien te verantwoorden terzake mijn schrijfproductie van het voorbije jaar. Ik schrijf me de kolere om a) mijn werkbeurs niet te verliezen, b) omdat het mijn morele eer te na zou zijn geen goede waar te leveren voor geld uit de gemeenschapsportemonnee.
Er zijn schrijvers, Joost Zwagerman is een prijzenswaardig voorbeeld, die hun goedgeschapen gestalte en zonnige lach ter beschikking stellen voor een fotoserie in een reclamecampagne van een levensverzekeringsfirma. Dat doet Zwagerman voor een geldsom die plusminus overeenkomt met het maximale "twaalf maandeenheden"-bedrag dat het Fonds voor de Letteren aan de schrijver kan toekennen. Op die manier hoeft hij niet uit de staatsruif te grazen, naar hijzelf uitlegt, en draait de belastingbetaler niet op voor de leniging van zijn financiële krapte.
Mij zal een firma nooit vragen om met levenslust uitstralend snuitwerk haar blijmoedige Zwitserleven Gevoel uit te dragen. Of om in een t.v.-spot Lassie Toverrijst te bejubelen, zoals Boudewijn Büch. Of Franse kazen, zoals Hugo Claus. Van mijn persoon gaat weinig wervends uit, maar ik onderken wel degelijk de voordelen die zulke vetbetaalde schnabbels de modaal verdienende schrijver te bieden heeft. Evenals Zwagerman heeft Claus moeten uiteenzetten waarom hij zich "aan het kapitaal had overgeleverd". Hij antwoordde (in HUMO): "Om zo'n bedrag te verdienen, moet ik al heel wat gedichtjes schrijven. Dat kaaspotje zal de cultuur ten goede komen, want door het geld wat ik ermee verdiend heb, kan ik me gedurende een bepaalde tijd op werk van kaliber concentreren."
Frederik van Eeden zei het al: een schrijver heeft twee dingen nodig: tijd en rust. Beide dingen kan de schrijver kopen als hij over geld beschikt. Bij voorkeur over meer geld dan de gemiddelde schrijver gewoonlijk ontvangt bij de jaarlijkse honorariumafrekening van zijn uitgever. Waar haalt hij dit vandaan als hij niet foto- en telegeniek is, noch over de lichamelijke conditie en karakteriële eigenschappen beschikt om met een lezingenrepertoire het land door te trekken, van cultureel centrum via middelbare school naar damesleesclubje, om zo een grijpstuiver bij te verdienen? Daar een toelage van het Fonds voor de Letteren of enige andere steuninstantie niet tot de vanzelfsprekendheden behoort, niet tot de zekerheden waar de schrijver rotsvast op kan rekenen, zoals iemand met een "gewone betrekking" rotsvast kan rekenen op een zekerheid biedend salaris, rest de schrijver één mogelijkheid om tijd en rust te financieren: - de mogelijkheid (kans één op zoveelhonderd) dat hem een literaire prijs ten deel valt.
Sedert enige jaren worden door grote boekhandelconcerns en bankbedrijven grote geldbedragen ter beschikking gesteld om "de literaire prijs" meer cachet en financiële allure te verlenen. De gelukkige schrijver die zo'n concernprijs verwerft kan er inderdaad heel wat mee kopen aan materiële zaken. Ik herhaal opnieuw voor alle duidelijkheid dat ik niet tegen deze prijzen ben. Integendeel, ik klap er enthousiast voor in mijn handen. Ik zei dan ook dat men mij zulke prijzen in onbeperkte mate mag aandragen, zeer gaarne en dank u uitbundig. Eventueel wil ik ook nog best geloven in de ideële bedoelingen van desbetreffende concerndirecties.
Bij de uitreiking van de allereerste Akoprijs (1987, aan J. Bernlef) sprak Meneer Ako parmantig dat "juist een keten van lectuurkiosken de sponsor en de naamgever van de prijs (moest) zijn." "Om te benadrukken", zo ging hij verder, "dat literatuur ook lectuur is, dat iedereen die letteren kan kopen en lezen, en dat nog lekker vinden (sic) ook." In Haagse Post (23 mei 1987) werd Meneer Ako een "leesvoer verkopende maecenas" genoemd. Willem Jan Otten in een interview (Het Parool, 8 mei 1993) over Ako: "Ik heb er nog nooit een boek gekocht, vroeger wel vieze blaadjes." Bij de jongste uitreiking (2001) van De Gouden Uilen, zei Meneer Standaardboekhandel, hoofdsponsor van deze prijzen (de Standaardboekhandelsketen voert een uil als bedrijfsembleem), soortgelijke woorden als Meneer Ako. En ook uit de mond van Meneer Libris van de samenwerkende zelfstandige boekhandels zijn uitspraken van eendere strekking opgetekend.
Een "maecenas"? Dat is een begunstiger van (bijvoorbeeld) kunstenaars, tot welke groep ook schrijvers behoren. "Hier, beste schrijver, heb je een kruiwagen vol geld. Daar kan je het een jaartje mee uitzingen om zonder bijkomende zorgen een nieuw prachtboek te schrijven." De leesvoerverkoper in de rol van middeleeuwse paus of achttiende-eeuwse Duitse keurvorst. Wat zou daar tegen kunnen zijn?
Wijlen de uitgever Johan Polak formuleerde in een interview (NRC Handelsblad, 18 mei 1987) zijn bedenkingen aldus: "Voor de AKO is het prima reclame. Een paar pagina's in een dagblad kost veel meer. Maar als het geen goodwill oplevert voor het bedrijf is die literatuurprijs binnen enkele jaren van de baan. Natuurlijk, het interesseert ze toch geen bal! Ik heb nooit gezien dat de verenigde lectuurbedrijven - en ik leg de nadruk op lectuur - zich erg hebben ingespannen voor de literatuur, dus ik vond het een beetje typisch dat nu juist die AKO deze prijs moet geven. Die genomineerde boeken waren tot voor kort helemaal niet in de AKO-bedrijven te krijgen. Men moet in deze grote bedrijven die veel geld te besteden hebben nu niet het summum aan cultuur verwachten. Mijn respect hebben ze niet."
Van mij mag de maecenas zoveel reclame maken rondom zijn vette donatie als hemzelf lust. Het is zijn goed recht om met luid gebimbam aller aandacht te vestigen op het feit dat hij een genereus mens is met een hart vol liefde voor de literatuur. En het is volkomen in orde dat hij daarbij zo vaak mogelijk Ako, Libris, Generale Bank, VSB of Standaard zegt. Ten slotte smakt hij er een aanzienlijke hoeveelheid bankbiljetten tegenaan, en dat mag iedereen gerust weten. Het initiatief en de formule werden afgekeken van de gerespecteerde Engelse firma Booker-McConnel, die er wereldberoemd mee is geworden.
De schrijver die de Prijs over zich krijgt uitgestort weet zich in meerdere opzichten gefortuneerd. Behalve dat hem de duiten ten deel vallen, mag hij rekenen op een verhoogde verkoop van zijn met zoveel publiciteit bekroonde boek, doorgaans een roman. Zijn naam krijgt grotere bekendheid, zijn aanzien stijgt, hij kan zich een poosje wentelen in aangenaam zelfbehagen, zoals na een prima orgasme, en ja, dankzij de hem toegeworpen reddingsboei is hij in staat zich financieel weer enige tijd drijvende te houden. Niets dan positieve, verheugende zaken toch?
Dat is maar hoe je het bekijkt. Ik bekijk het met de ogen en vanuit het blikveld van de schrijver. In Nederland ben ik voor dergelijke concernprijs nooit genomineerd en heb ik er dus ook nooit een ontvangen, in Vlaanderen overkwam het mij twee keer dat ik zowel werd genomineerd alsook de gouduil mocht verschalken. Bij de tweede keer, - Brussel, 24 maart jongstleden, - zei ik dat ik trots, blij en dankbaar was, maar dat ik niet langer beschikbaar ben voor al het bijkomende gedoe dat van het hier bedoelde soort prijzen-in-het-algemeen een circusnummer maakt, waaraan ik niet wil meewerken. Het gedoe met openbaar gemaakte "longlists" en "shortlists" (het moet in het Engels, om zo dicht mogelijk in de buurt te blijven van Big Brother Booker, van wie ook de opeens algemeen gangbaar geworden termen "fictie" en "non-fictie" zijn overgenomen). Het gedoe met nominaties, het gedoe dat eruit bestaat dat de genomineerde welhaast de vanzelfsprekende plicht krijgt opgelegd om mee te draaien in de carrousel, al heeft hij daar geen zin in. Om bij mezelf te blijven: ik heb er het gezellige, smeuïge karakter niet voor, ik ervaar het als een verstoring van mijn levenswijze en -ritme, een bedreiging van mijn privacy, een inbreuk op mijn opvattingen van het schrijverschap. Al het gedoe bij elkaar veroorzaakt spanningen en nerveuzigheden die de schrijver het tegendeel van tijd en rust opleveren. Met maecenaat of begunstiging heeft het al helemaal niets te maken, of je de Prijs nu wel of niet krijgt. De geldgevende instantie gaat ervan uit dat de genomineerde vanzelfsprekend en juichend van vreugde klaarstaat om televisie, radio, pers en fotografen bij zich thuis te ontvangen om de publiciteit rondom hun merknaam zo lang mogelijk warm te houden. In deze zin is er geen verschil tussen genomineerd zijn en worden ingehuurd voor Lassie Toverrijst, Franse kazen of Zwitserleven: - degene die ten slotte de Prijs krijgt overhandigd kan die beschouwen als het honorarium voor zijn medewerking aan de publiciteitscampagne van het concern dat zijn naam aan de Prijs heeft gegeven. (De respectieve namen van alle concernprijzen laat ik verder achterwege, ik zal het verder hebben over de Prijs.) De andere genomineerden, die de Prijs niet ontvangen al hebben ze dezelfde storingen, ongemakken en ergernissen doorstaan, worden sedert kort gepaaid met een troostbedragje voor de moeite. Daarvóór kregen ze helemaal niks en konden ze zelfs de huur van hun smoking niet bij de organisatoren declareren: het dragen van zo'n apenpak op de avond van de Prijstoekenning is nog een poosje "gewenst" geweest, je viel dus uit de toon als je iets anders aanhad.
Overigens blijft dat troostbedragje voor de moeite schril en zielig ten achter bij het aanzienlijk vorstelijker honorarium dat de juryleden voor hun werkzaamheden toucheren. Onlangs verklapte een jurylid me dat hij in de jury was gaan zitten "voor het geld". Waarom niet? antwoordde ik. Iedereen die met literatuurvervaardiging te maken heeft hoort tot het kermisvolk, heeft Harry Mulisch ooit gezegd, en geld moet men oprapen waar het ligt, al bevindt het zich in een bescheten pamper. Als ook dat jurylid maar niet denkt dat hij zijn centjes van een maecenas ontvangt: zowel Prijs als troostbedragen als jurysalarissen komen in de concernboekhouding gewoon onder de post promotie en publiciteit, evenals de huur van de dure hotels waar sommige Prijsuitreikingen plaats hebben, de bekostiging van de daarbij genoten exquise diners, et cetera. "Een paar pagina's in een dagblad kost veel meer." Bekendmaking van de "longlist": publiciteit voor de merknaam in alle kranten. Van de "shortlist": idem. De Prijsuitreiking zelf, altijd goed voor een enerverend uurtje televisie: tel uit je winst. Vervolgens komt de concernnaam nog per buikband of sticker op het bekroonde boek, wordt hij genoemd in de trotse advertenties van de uitgever en tegen de tijd dat het allemaal weer zo'n beetje vergeten raakt, begint het gebonk en getoeter opnieuw. Vanwege de overvoering, banaliteit en vluchtigheid gaat dat vergeten trouwens erg snel. Geen idee meer wie vorig jaar de Zusprijs, de Zoprijs, de Ditprijs, de Datprijs heeft mogen aannemen.
< Maecenaat? Ter bevordering van de Schone Letteren, tot steun en stimulans van de beoefenaars ervan? Het mag die naam niet hebben. Wim de Bie heeft enige jaren geleden geweigerd om aan het Prijsgebeuren deel te nemen omdat hij zich niet wenste te lenen als "reclame-object van een commerciële instelling" (de Volkskrant, 22 oktober 1996). Een literaire prijs dient je op zekere dag, onverwacht, als een plezierige verrassing, zómaar ten deel te vallen. De telefoon rinkelt en iemand meldt je het vreugdevolle bericht: je krijgt de xyz-prijs voor je jongste roman, essaybundel, dichtbundel, voor je hele oeuvre, voor je meesterschap of voor nog iets anders. Het moet zómaar als een sierduif op je vensterbank neerstrijken, zonder voorafgaande opwinding te hebben veroorzaakt en zonder dat het je tot iets verplicht wat je met tegenzin vervult en waar je niet geschikt voor bent. Dat is de eer ervan: je wordt gehuldigd voor een prestatie en niet omdat je een soort afvalrace hebt doorstaan. br> Aan die concernprijzen ergert mij, op het uitgeloofde geldbedrag na, zo goed als alles:
De langlijst. Als je er niet op voorkomt met je even tevoren verschenen meesterwerk is dat om te beginnen al een gevoelige dreun tegen je ego. Kom je er wel op voor, maar blijk je er bij publicatie van de kortlijst van te zijn afgeknipt, ervaar je dat met wrevel en frustratie. Gediskwalificeerd: vergeleken met de schitter en gloeiing van andere meestergeschriften is dat van jou eigenlijk maar een doffe sintel, zo wordt je te verstaan gegeven. In een dreunend schimpschrift tegen Wam de Moor, zeer toepasselijk WHAMM getiteld, beschrijft A.F.Th. van der Heijden hoe "een gedoodverfde kandidaat-'genomineerde' als de schrijver van Advocaat van de hanen met soms onverholen leedvermaak, compleet met klappen op de schouders, gecondoleerd werd met het missen van een 'nominatie'." Zo vulgair is het. Ook Charlotte Mutsaers ergert zich: "Dat er veel prijzen zijn, vind ik alleen maar positief. Maar het werken met nominaties niet. Dat brengt zoveel inwendige spanning mee, zoiets moet je schrijvers niet aandoen" (de Volkskrant, 22 oktober 1996).
De kortlijst. Daar prijken de vijf, zes namen op van degenen die de langlijst hebben overleefd. Wie op de kortlijst komt behoort tot de genomineerden voor de Prijs. De kortlijstschrijver ziet zich in een gezelschap van "concurrenten" geplaatst van wie hijzelf helemaal geen concurrent wil zijn. Literatuur bestaat uit unieke werken, die qualitate qua niet met elkaar te vergelijken zijn. Iedere selectie op grond van "kwaliteit" is troebel, want hangt af van particuliere opvattingen en smaakpatronen. Ook de genomineerde zelf heeft zijn opvattingen en leeft, denkt, werkt volgens zijn eigen smaak: zijn boek is er het beste bewijs van. Het adagium "er zijn goede boeken en rotboeken" is als larie te verwerpen, maar anderzijds, laten we wel wezen: er zijn in de loop der jaren heel wat titels genomineerd die er niet voor in aanmerking verdienden te komen en heel wat niet genomineerd die dat wel verdienden. Nu zal je als genomineerde maar vinden dat er tussen je medegenomineerden types en figuren zijn gerangschikt met wier literaire opvattingen en voortbrengsels je geen enkele affiniteit voelt, laat staan dat je er waardering voor opbrengt. Zij van hun kant halen uiteraard ook hun schouders op voor jou. Je zou er niet mee in een reddingssloep op de oceaan willen dobberen en toch ben jij aan hun, zijn zij aan jouw gezelschap overgeleverd. Nieuwe frustratie. "Je moet zoiets sportief opvatten", zegt men, alsof het om een kampioenschap gaat. Had mij, sporthater tot in mijn merg, dan maar niet genomineerd. Ook ten aanzien van mede-genomineerden die je wèl acht en waardeert ontkiemt in je ziel iets disteligs, waarvan je beseft dat het eveneens wederkerig moet zijn. Natuurlijk gun ik jou de Prijs, waarde collega, maar mijzelf gun ik hem eerder. Dat laatste zeg je niet, maar het geeft het distelgevoel goed weer. Zo worden de genomineerden tegenover elkaar geplaatst in een situatie van competitie en rivaliteit, die op geen enkele manier met schrijven en literatuur in verband staan. Ik wil niet worden betrokken in mij opgedrongen wedijver terzake de vraag wie "het mooiste boek" heeft geschreven.
De organisatie van een der Prijzen bezit de smakeloosheid om op de dag dat de kortlijst tijdens een mediabijeenkomst is bekend gemaakt, een televisieploeg naar alle genomineerden te sturen. Ring, daar gaat de bel. De verbouwereerde auteur staat in de deuropening, verblind door het plotseling als een werpnet over hem heen gegooide televisielicht en verneemt dat hij, proficiat!, genomineerd is. En dit zijn de boeken van uw medegenomineerden, kraait de boodschapper van het geweldige nieuws en stapelt een torentje drukwerk in de armboog van de zielsgelukkige uitverkorene. Voordat hij goed beseft wat er gaande is, tolt de schrijver mee in een zuigende draaikolk van zaken en gebeurtenissen die hem zijn tijd, zijn rust, zijn concentratie en de gelijkmoedigheid van zijn humeur kosten. Hij is opeens, tegen wil en dank, "een marionet in andermans scenario" (Erwin Mortier in NRC Handelsblad, 6 april 2001). Wat moet hij met die boeken? Toch niet lezen, hopelijk? In de nu aanbrekende periode zal hem ettelijke keren worden gevraagd: "Kent u het genomineerde werk van uw medekanshebbers?" Wat daarop te antwoorden nadat de hele televisiekijkende natie er getuige van is geweest dat hij de boeken in ieder geval in ontvangst nam? Naar waarheid: "Nee"? Dat klinkt meteen zo bruusk en onbetrokken, zo onelegant ook ten opzichte van die medekanshebbers. "Ja" liegen? Te riskant met het oog op nadere overhoring. De organisatie van een andere Prijs stuurt de televisie naar alle genomineerden om "een portret" van ze te maken, iedere week van een andere genomineerde. Trek daar maar een hele middag voor uit, wees hartelijk en gastvrij, verdraag het verschuiven van meubelstukken, stel je huisdieren gerust, blijf geduldig tijdens het installeren van camera, microfoons, schijnwerpers en overige apparatuur en wind je vooral niet op als bij uitzending blijkt dat het "portret" exact twee minuten en vijftien seconden duurt. Wekenlang publiciteit voor de Prijsgever, maar allerminst voor de geportretteerde, wiens volzinnen zo krankzinnig door de montageschaar zijn verknipt dat hij zelf niet begrijpt wat er uit zijn mond komt en hij zich geneert voor de klungelvertoning. Laatste portretvraag aan iedere genomineerde: "Wie moet volgens u de Prijs winnen?" Het enige antwoord dat spontaan opwelt is: "Ik natuurlijk!" Distelgevoelens. Men jonast de schrijver de rivaliteitsarena in, hij moet uitspraken doen over de kwaliteit van de ene collega, waarmee hij impliciet de mindere of zelfs de onkwaliteit van de andere lijkt te suggereren.
En merk op: sedert de concernprijzen bestaan, spreekt men van de Prijs "winnen". Alsof men er als gladiators voor heeft gevochten. De hiervoor bedoelde "sierduif"-prijzen, vernoemd naar literaire hoogheden als P.C. Hooft, Constantijn Huygens, Multatuli, plegen de schrijver te worden "toegekend". Door een jury die zowel vóór als na de toekenning zwijgt over andere gegadigden die tijdens haar beraadslagingen ter sprake zijn gebracht.
Over de jury's voor de verschillende concernprijzen zou intussen een spijkerig traktaat zijn te timmeren, waarin schande na schande aan de paal kan worden geslagen. Hoe die jury's tot stand komen is mij onbekend. Volstrekt willekeurig naar ik veronderstel. (Misschien circuleren achter de schermen ook lang- en kortlijsten: "Genomineerd voor zitting in de jury tot samenstelling van de lijst genomineerden voor de Prijs"?) Omdat er jaarlijks zovéél jury's nodig zijn, heeft God zowel als de visboer er al weleens ingezeten, kennis van het alfabet strekt tot aanbeveling, verder doet niks ertoe. Zoveel jury's, zoveel zinnen. Het komt voor dat een schrijver van de ene jury de Prijs ontvangt, terwijl zijn bekroonde boek een week later door de jury van een andere Prijs niet eens wordt genomineerd.
Aan het hoofd der jury moet een politicus (m/v). Die hoeft niet eerst alle vijfhonderddrieënzeventig ingezonden boeken te lezen, zelfs de paar genomineerde boeken niet, hij/zij is er voor de prots en hoeft alleen maar de door de echte jury geformuleerde einduitslag van een papiertje voor te dragen. Hij/zij belichaamt de schijn van Belangrijkheid, al heeft de hele hij/zij nooit eerder van de "winnaar" of de andere gladiators gehoord, want verder dan "De spin Sebastiaan" is de juryvoorzitter (m/v) nooit gekomen met zijn/haar belangstelling voor literatuur.
De rest van de jury? Die begint steevast met zich te beklagen. Wat een werk, al die honderden boeken! Schuld van de uitgevers, weeklaagt de jury, want die sturen maar alles in waarvan ze vinden dat het een Prijs kan krijgen. Kunnen die uitgevers niet zelf eerst een vóórselectie maken? Nee, natuurlijk niet! De uitgever kijkt wel uit om tegen zijn auteur te zeggen: "Dat prulromannetje van jou is niet door mijn voorselectie gekomen…"
Minstens even steevast klaagt en kankert de jury "dat er veel middelmatige boeken worden gepubliceerd" (Jos Borré, voorzitter van een der jury's in 1999). Een jaar eerder sprak dezelfde van "een zeer matig literair jaar met weinig uitschieters". Willem Kuipers, drie maal lid van een jury: "Aan de welvoorziene dis kraakten we kritische noten over de vaderlandse literatuur die nagenoeg geheel aan het onbenul ten prooi was gevallen" (de Volkskrant, 6 april 2001). Je zal in zo'n literair jaar met weinig uitschieters tot de genomineerden behoren, - wat een voldoening en genoegen! Heeft nooit een jury besloten om in zo'n slaptejaar de Prijs dan maar niet toe te kennen, in plaats van hem in arren moede aan de schrijver van een kukelgeschrift te geven? Neen, nog nooit. Dat zou het Prijsconcern niet gedogen. "De jury had het moeilijk gehad", zo heet het dan. Zo'n jury aan het woord: "Toen hebben wij kloek een meerderheidsbeslissing genomen, overwegende dat deze waardevoller kan zijn dan een compromis, en dat het beter is in zo'n geval geestdriftig te zijn in meerderheid dan berustend te zijn in eensgezindheid" (de Volkskrant, 22 mei 1989). Geestdriftig ging de Prijs dat jaar naar een onbekende Vlaamse debutante wier romannetje evenveel "literaire kwaliteit" bezat als een ei met een half uitgebroed dood vogeltje erin. Jaap Goedegebuure (Haagse Post, 5 mei 1990) noemde de hier bedoelde Prijs sedertdien de Algemene Krukken Onderscheiding. "De …Prijs is haar prestige kwijt", kopte T. van Deel in Trouw (13 april 1989). Zelf een ijverig juryzitter, die T. van Deel. In 1996, weer eens lid van een jury, sprak hij na de Prijstoekenning het te betreuren dat de jury zo "verdeeld" was geweest. "Jammer, maar soms kan het niet anders. Er was geen enkel boek bij waar alle juryleden voor de volle honderd procent achter stonden" (De Standaard, 10 mei 1996). De Prijs ging toen tot ieders verbijstering naar T. van Deels dierbare vriend Alfred Kossmann, zelf zo geschokt dat hij spontaan in tranen uitbarstte. Zet T. van Deel in een jury en je leert zijn vrienden kennen.
Juryleden moeten hun mond houden, het is allemaal al beschamend genoeg.
Juryleden klappen ook nog uit de school over details van hun beraadslagingen.
Waarom werd Advocaat van de hanen niet genomineerd? Omdat jurylid Wam de Moor, naar deze als een extra trap na in de krant verklaarde, de roman "te wijdlopig" vond. Het is "ontoelaatbaar" en voor de betrokken auteur "absoluut vernederend", aldus A.F.Th. van der Heijden zeer terecht in WHAMM, "dat de jury ook nog eens met uitvoerige voorlichting komt aangaande de motieven om een bepaald boek niet voor een prijs in aanmerking te laten komen."
Aan het hoofd van deze zelfde jury galoppeerde de VVD-politicus Frits Bolkestein, die zelf ook weleens een tekstje knutselt (bij de tweehonderd inzendingen van dat jaar bevond zich een publicatie van zijn hand). Hij verklaarde dat Advocaat van de hanen geen nominatie had verworven omdat hij "toch bezwaarlijk kon meewerken aan de eventuele bekroning van een roman waarin zijn partijgenoot Frits Korthals Altes op een dergelijke wijze wordt beledigd." Wat heeft dat nog met beoordeling van literaire merites te maken? Dezelfde Bolkestein vond bij dezelfde gelegenheid ook De wetten geen goede roman: over dat boek had hij zijn negatieve oordeel zelfs in een opstelletje geformuleerd ter rechtvaardiging van de niet-nominering ervan, zo neuzelde hij ten overstaan van de pers. Prots, belangrijkdoenerij en geldingsdrift van een politieke tinnegieter.
Politici mogen jegens schrijvers en hun werk uitsluitend beleefd zijn, dat mogen ze, en gelet op hun louter ornamentele "functie" in de jury voegt hen diepe bescheidenheid in ruil voor het hun geheel onterecht toevallende jurysalaris, waarvoor ze geen spat uitvoeren.
In dit Wam de Moor- en Bolkesteinjaar 1991, behoorde, onder andere de romans Littekens van Patricia de Martelaere en Altijd de vrouw van Geerten Meijsing tot de genomineerde werken. Van de jury maakte toen ook Louis Ferron deel uit, die zich in het VPRO-radioprogramma De Plantage liet interviewen. Opnieuw citeer ik Van der Heijdens WHAMM: "Inmiddels zijn we, door uitlatingen van Ferron (…), weer wat wijzer geworden over de handjeklap-methoden van de jury. 'Goed, dan mag dat smartlapje van Patricia de Martelaere er wat mij betreft in blijven, als ik er Altijd de vrouw in mag houden…' enz. 'Een rondje pokeren,' noemde de gespreksleider dat."
Ten slotte kreeg P.F. Thomése de Prijs. Zijn triomf werd vergald omdat de kwebbeljury ook nog bekend maakte (NRC Handelsblad, 22 mei 1991) dat ze de Prijs eerder aan Michel van der Plas had toebedacht. Thomése moet zich dus "tweede keus" hebben gevoeld en in de mond van Van der Plas, "de morele winnaar", is de smaak van roet tot op de huidige dag niet verflauwd.
Uitgever Johan Polak dat jaar in een interview: "Mijn idee van de hel is momenteel dat ik op een stoel word vastgebonden en moet nomineren voor de …Prijs" (HP/De Tijd, 12 april 1991).
Drie jaar eerder was er een jurylid, Frans Boenders, die de genomineerden en hun werk aldus schoffeerde: "Zelf vind ik de bijeengeharkte stukjes van Campert te mager om te nomineren, het boek van Van Toorn is mij veel te modieus en dus te beperkt qua thematiek, Marugg schrijft enkele schitterende pagina's maar slaagt er niet in om zijn toch al dunne boek een volgehouden vaart mee te geven, Vogelaar heeft zich godlof bekeerd na zijn marksiesties-socialiestiese periode maar de waarde van zijn essaybundel hangt toch vooral aan één essay, dat over Francis Bacon. In plaats van de eerste drie had ik liever Ouwens, Hemmerechts en Boeli van Leeuwen (die heeft wat méér te melden dan Marugg) voorgedragen" Dit stond in een "Brief aan Willem Frederik Hermans" in NRC Handelsblad, 24 juni 1988, waarin Boenders, plat op zijn buik van onderworpenheid, aan de geadresseerde uitlegde waarom diens ("virtuoos geschreven") roman Een heilige van de horlogerie niet werd genomineerd. Daar moest je uitgerekend bij Hermans mee aankomen! Na te lezen in zijn boek Door gevaarlijke gekken omringd is Hermans' van rookbommenwalm doortrokken reactie op de Prijs-in-het-algemeen, op het dat jaar wèl bekroonde boek en op de schrijver ervan, Geerten Meijsing ("wat een genie!"): die had de dukaten te danken aan zijn zus die ook in de jury zat! Dat schiep, sneerde Hermans, "een geldswaardig precedent". "De winnaar van de …Prijs is immers verplicht om het volgende jaar in de jury te gaan zitten", zodat broer op zijn beurt zus kon nomineren en bekronen. "Zo blijven de gelden in de boezem van de familie."
Dat de winnaar een jaar later automatisch in de dan vigerende jury terecht komt, is intussen niet meer waar, Geerten Meijsing zelf maakte wijselijk een einde aan dit gebruik. Toch wierp deze door Hermans (en anderen) gelaakte geschiedenis jaren later nog een echo, toen Jan Fontyn in de jury voor een Prijs ging zitten en als gevolg daarvan zijn echtgenote Charlotte Mutsaers niet aan de wedstrijd wenste deel te nemen om iedere schijn van bevoorrechting uit te sluiten. Had dat niet omgekeerd moeten zijn: Mutsaers op de kortlijst en Fontyn niet in de jury? Hermans: "Eens te meer geldt de waarheid dat je beter jurylid kunt zijn, dan een goed boek schrijven. Straks kun je zelfs beter jurylid zijn dan een prijs te krijgen!"
En dan komt het allerverschrikkelijkste, het allervernederendste, het allerbeschamendste: de Prijstoekenning zelf. Het Hoogtepunt van het Circus. De bekendmaking van de Winnaar van de Oscar voor het Beste Boek van het Jaar. Het Eurovisie songfestival maar dan voor literatuur.
Niet aanwezig zijn bij deze horreur wordt de genomineerde, "kanshebbende" schrijver kwalijk genomen door de Prijsorganisatie en niet minder (wel mogelijk zelfs nog méér) door de makers van het rechtstreeks uit te stralen televisieprogramma dat er bijhoort. "Niet sportief". Enige tijd ging zelfs de mare dat een niet aanwezige nominé de Prijs dan vanzelf niet zou krijgen, want anders ontbeerde de televisievertoning haar apotheose van cheque-overhandiging, omhelzingen, tranen, gestotter en beantwoording van de vaste plebejische vraag: "Wat gaat u met het Geld doen?"
Toen de wereldschuwe Antilliaanse schrijver Tipp Marugg te horen kreeg dat hij was genomineerd, riep hij uit dat hij er niet over piekerde om daarvoor naar Nederland te komen, zelfs niet als hij vooraf de garantie kreeg dat hij de Prijs zou krijgen. Volgens de Volkskrant (13 mei 1988) riep hij uit: "Ik wil het niet. Ik doe het niet. Ik kan het niet. Het is trouwens nog nooit in mijn hoofd opgekomen naar Nederland te gaan." Wel naar Nederland gekomen, maar niet aanzittend aan de Prijsdis in het Amsterdamse Amstel Hotel: W.F. Hermans, toen woonachtig in Parijs. Voor het geval dat hij de Prijs toch zou krijgen, dan kon men hem vinden en komen halen in een nabijgelegen dranklokaliteit. A.F.Th. van der Heijden ("moegenomineerd", naar hij zei) ging jaren later eveneens in de kroeg zitten, waar hij de bezoeking van het uitreikingsfeest aan zich voorbij liet gaan. Hij betrad het feest nadat hij, in de kroeg voor de televisie gezeten, had vernomen dat de Prijs voor hem was. En toen? Uit NRC Handelsblad, 27 oktober 1997: "Toen C. Beuving, lid van de Raad van Bestuur (van de sponsorende instelling J.B.), Van der Heijden na afloop kwam feliciteren verontschuldigde de schrijver zich voor zijn aanvankelijke schroom om op te komen draven. Beuving woof de excuses weg. 'Het was helemaal niet erg dat u wat weigerachtig was,' grijnsde hij, 'dat heeft alleen maar voor extra publiciteit gezorgd.'" En daar gaat het maar om, toch! Bij dezelfde gelegenheid zei de genomineerde Marcel Möring: "Nu is zo'n prijs toch vooral een leukigheidje dat ten goede komt aan de sponsor. Ondertussen realiseren veel mensen zich niet wat er allemaal bij komt kijken aan persaandacht, interviews. Ik heb dit jaar niet zoveel gedaan, onder meer hierdoor."
In 1994 begaf Patricia de Martelaere zich naar het genomineerdenconclaaf, maar ze wilde niet op de televisie. Van de televisiemaatschappij kreeg ze zwart op wit de belofte dat er geen camera op haar zou worden gericht, voor alle zekerheid ging ze achter een pilaar zitten en had ze voor nog meer zekerheid een plastic boodschappentas over haar hoofd kunnen trekken. Natuurlijk werd ze gefilmd en kwam ze vaak in beeld. Wat een naïef konijn, die Patricia, om te geloven in beloften en fatsoen, - ook zij was niets anders dan een reclame-object in de grote publiciteitsmachine, ook zij diende slechts het amusement. Schrijvers zijn poppenkastfiguren in de tengels van de zogenaamde literatuurmaecenas die er zelf geen benul van heeft wat dat eigenlijk is, literatuur, laat staan dat hij ooit iets leest, behalve de beursberichten. Poppenkastfiguren in de tengels van televisiemakers, die er evenmin benul van hebben en van de Prijsuitreiking een per jaar almaar genantere vertoning maken.
De ene Prijsorganisatie geeft een diner voor honderden personen. De menukaarten vermelden de gerechten in het Frans. Haagse Post, 28 mei 1988, schilderde het zo: "Een smeltzachte Terrine de Foie d'Oie Poché en Gelée de Romarin ging vooraf aan een bonte Consommé d'Agneau die wonderwel paste bij de Filet de Sole Farci de Mousse de Saumon Sauce Hollandaise, alles begeleid door een Beaujolais Blanc 1986. Een warmbloedige Chateau Poitou 1982 toefde bij de malse Filet de Boeuf Sauté à la jardinière waardoor de Croquembouche sterk contrasteerde. Café et Pralines avec Liqueur werd vlak voor de prijsuitreiking geserveerd (…). De Prijsdirectie heeft vorig jaar duidelijk geklaagd bij het Amstel Hotel. Dit jaar werd bij het eten niet gebraakt."
Tijdens dit gargantuesk genieten vindt in een bijzaaltje een forumgesprek plaats van enige door de wind toevallig bijeengeblazen "deskundigen" die om de beurt hun zegje kakelen over de genomineerde boeken, halverwege iedere volzin onderbroken door de moderator die de kijker thuis vooral herkent als de voorlezer van het televisienieuws die zich altijd zo grappig verspreekt. Oppervlakkigheid, onsamenhangendheid, onbegrijpelijkheid kenmerken de discussie, die vooral ook "luchtig" moet blijven, anders begint de kijker thuis te zappen, wat de Prijsmaecenas chagrijnig zou stemmen. In de eetruimte is via kijkschermen wel vast te stellen dat in een aanpalende locatie kennelijk over de kansmakende boeken wordt geconfereerd, maar geluid wordt daar niet bijgeleverd. Tussen de tafels door fladdert een plastic televisiejuffrouw (Leonie Jansen, Maartje van Weegen), literair nooit verder gekomen dan de Bouquet Reeks, die nu eens hier, dan weer daar haar microfoontje voor het gezicht van een door de Château Poitou 1982 steeds bezopener rakende nominé houdt. "Hebt u de boeken van uw medegenomineerden gelezen?" Of aan een winnaar van een vorig jaar: "Heeft de Prijs uw leven veranderd?" Op het ultieme moment van de Prijsbekendmaking krijgt de kijker thuis altijd ook de gezichten van de niet-winnaars te zien. Soms moeten deze zelfs ook nog antwoorden op: "Hoe voelt dat, de Prijs niet te hebben gewonnen?"
Bij andere Prijsbekendmakingen vindt de ellende plaats in een televisiestudio. Onder leiding van Sonja Barend. Geen idee wat schrijvers bezielt om dat te willen meemaken en zelfs tot het einde te blijven uitzitten. "Sonja houdt het simpel", stond in de Volkskrant, 23 oktober 1995. Door bijvoorbeeld over zeker boek te zeggen: "Je kunt het met veel plezier lezen en je kunt het nog snappen ook." Zo simpel dat "zelfs de meest goedwillende schrijvers (…) ten slotte tòch opstandig worden." Ik zou allang zijn opgestaan en weggelopen. Na wat gebabbel met het voltallige genomineerdenkransje sprak de presentatrice: "Schrijvers kunnen beter schrijven dan spreken. Ik vond dit een moeizaam gesprek." Alsof dat aan die schrijvers lag, en niet aan haar simpelheid: als zij er maar plezier aan beleeft en de dingen nog kan snappen ook, want zij is het middelpunt van het avondje, literatuur interesseert haar geen bal en schrijvers zijn autistische harken waarmee slechts moeizaam valt te kleppen op háár klepniveau. Nog een wonder dat niet ieder jaar een bommelding een einde maakt aan Barends ongegeneerde vertoon van ijdelheid en domheid, waar de opgetrommelde schrijvers zich naar plooien als zakdoeken onder een lauw strijkijzer. In het jaar van die bommelding, 1996, werd de Prijs uitgereikt op straat, in het nabije getetter van de Amsterdamse kermis. Altijd goed voor "extra publiciteit" en schrijvers dat is kermisvolk toch? Zo was S. Barend ook het leukste meisje van de klas bij de unaniem "rampzalig" gevonden uitzending waarin de Prijs werd toegekend door een jury van "gewone mensen", die bordjes met waarderingscijfers omhoog moesten houden: de schrijver met de meeste punten was de winnaar. Dit gebeurde, zonder voorafgaand medeweten van de verbijsterde genomineerden, toch al stijf van de zenuwen, onder het motto "Literair, niet elitair". Er waren twee winnaars, maar de Prijs ging niettemin naar één van de beide. Toen de andere gegadigde daartegen protesteerde, mocht hij even later in de column van Jan Blokker in de Volkskrant lezen dat hij niet zo had moeten zeuren: "De schrijver die zich naar een openbare puntentelling onder leiding van Sonja Barend laat lokken (kan) nooit een goede schrijver zijn." Bàf! Een klap op je bek kan je krijgen op de koop toe. Marcel Möring publiceerde over al deze schande een stuk in NRC Handelsblad (28 oktober 1994). "Het kost me steeds meer moeite om het idee vast te houden dat ik over literatuur schrijf", verzuchtte hij. Wat zijn eigenlijk "gewone mensen"? vroeg hij zich af. En behoort het streven om literatuur te presenteren als iets dat niet elitair is, niet "tot de laatste resten van het egalitaire denken uit de jaren zestig en zeventig? De kunst voor het volk, spreiding van kennis, alle arbeiders lid van een leesclub. Het negeert het feit dat literatuur, als alle kunst, per definitie elitair is."
Dat moet je in de televisiekringen van Sonja Barend en Hanneke Groenteman maar liever voor je houden. Ook laatstgenoemde doet het Prijsprogramma aleens en ook zij opteert voor "gewoon": literatuur is niet verhevener dan een bord spruitjes en schrijvers moeten zich vooral niks verbeelden. Bij haar zitten de gestresste genomineerden op stoeltjes naast elkaar als in de wachtkamer van de tandarts en de "gewone mensen", die zij langer aan het woord laat dan de schrijvers zelf, bestaan bijvoorbeeld uit een kuddetje middelbare scholieren die om de beurt een der uitverkoren boeken mogen samenvatten en van commentaar voorzien. Hierna mag de schrijver vriendelijk tegen de puber zeggen: "Ja hoor, je hebt mijn boek goed begrepen. Enne, wat betreft je vraag of mijn roman autobiografisch is…" (volgt cryptisch abracadabra). "Gewone lezers" alsook Hanneke Groenteman zelf willen namelijk altijd weten of je roman autobiografisch is, want dat is de sjuu over spruitjes. De genomineerde die niet in Groentemans Prijzencircusje wenst op te draven, - het begint al vaker voor te komen dat de mogelijke laureaat gewoon thuisblijft, - en zich ook niet op afroep in een nabijgelegen kroeg beschikbaar houdt, wordt snibbig door haar berispt. Zo'n afwezige (Grunberg in 2000) noemt ze "pedant" en "arrogant", alsof het vanzelfsprekend en verplicht zou zijn om mee te doen aan de kneuterigheid van haar schoolklasje. Toen in 1996 Rudy Kousbroek verstek liet gaan, met beleefde opgaaf van reden in de huiselijke sfeer, vermeldde de presentatrice deze reden niet, zij sprak: "Rudy Kousbroek wilde niet komen, wat hem betreft mogen we allemaal in zakken worden genaaid en in de gracht worden geworpen." Als dit wat Kousbroek betreft werkelijk het geval zou zijn, ben ik het voor het eerst van mijn leven hartgrondig met hem eens.
Ik zei dus: dat ik literatuur te chic acht voor al het hier opgesomde geklier en gekledder. Ik heb er nooit een geheim van gemaakt dat schrijven voor mij een elitaire aangelegenheid is, hoogst ernstig en met allergrootste integriteit beoefend. Alleen met wringen en trekken, zei ik, kan ik dit Prijzengedoe met mijn artistieke opvattingen en mijn karakter in overeenstemming brengen. Daar houd ik dus mee op. Dit besluit komt niet neer op "fluimen spugen in de mij vriendelijk aangeboden soep", zoals mij is verweten. Ik ben dol op soep, ik bevind me niet in de positie om een van zoveel vetogen voorziene Prijs te weigeren en natuurlijk spuug ik er niet in. Maar ik weiger om er ten faveure van andermans commercie, publiciteit en gloria en ten nadele van mijn tijd en rust voor door de modder te kruipen. Bij voorkomende gelegenheid zal ik de Maecenas mijn bankrekeningnummer mededelen.